Word nu vriend van het CBG! >>
gen.magazine 04-2016 Het interieur als decor van het huiselijk leven Werelden vol verhalen
Familieverhalen op de kaart
Leven onder de maat
Smerige stegen, gevallen vrouwen
Anne von Daehne
Penseelprinses tussen militairen
Views
2 months ago

gen.magazine 04-2016

  • Text
  • Huis
  • Jaar
  • Eeuw
  • Waar
  • Familie
  • Dossier
  • Onderzoek
  • Haard
  • Zoals
  • Leven
  • Www.fizz.nl
Magazine voor familiegeschiedenis

Schoorsteenversiering

Schoorsteenversiering met aardewerk en porselein, door Pieter Jansz van Ruyven, 1719. Coll. Amsterdam Museum Een groot deel van het vermogen van de elite werd overgeërfd: niet alleen inboedel, waardepapieren en contant geld, maar ook onroerend goed zoals landerijen, buitenhuizen en woonhuizen. Een huis bleef daarom vaak generaties lang in de familie. Van tijd tot tijd werd echter niet alleen het interieur aan de stijl van de tijd aangepast, maar ook het woonhuis zelf. Zo liet regent Joan Schagen in 1723 twee buurpanden samenvoegen tot één groot dubbelpand (het huidige Grote Oost 26). Hierbij ontstond een lange gang in het midden van de twee oorspronkelijke huizen. Om de bezoeker direct bij binnenkomst te imponeren liet hij, geheel naar de stijl van die tijd, rijk geornamenteerd stucwerk in de lange entree en op de plafonds van de kamers op de bel-etage van zijn woonhuis aanbrengen. Begane grond De bezoeker zal in de meeste voorname huizen vervolgens naar de representatieve kamer van het huis zijn gebracht, gelegen op de begane grond. Deze ruimte, soms in de inventaris de ‘sael’ genoemd, werd door de familie zelf meestal niet dagelijks gebruikt. In deze ontvangstkamer waren doorgaans talloze sierstoelen langs de wanden opgesteld, gemaakt van luxe hout en bekleed met trijp (een kostbare stof, lijkend op fluweel). Verder stond overal kostbaar sierporselein uitgestald en hingen er aan de wanden spiegels met vergulde lijsten en vele schilderijen. Notarissen troffen in de ‘sael’ ook vaak kleine, ronde siertafeltjes aan, de zogenaamde populaire gueridons. In veel gevallen bevond de daadwerkelijke woonkamer van de familie zich aan de achterzijde op de begane grond. Hoewel niet ieder vertrek over een haard beschikte, was die in deze ruimte vrijwel altijd aanwezig. Om de voeten warm te houden werden voetstoven gebruikt en waren op de vloer matten en kleden gelegd. Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw deed de gesloten kachel langzaam maar zeker zijn intrede, maar het waren aanvankelijk slechts de allerrijksten die zich dit konden veroorloven. De kamers op de begane grond waren over het algemeen rijkelijk voorzien van meubels van kostbaar hout, zoals tafels en stoelen van notenboomhout of mahoniehouten kabinetkasten. Deze kasten waren erg in trek bij de elite, aangezien er kostbaar goed, zoals serviesgoed, zilverwerk en linnengoed, in kon worden uitgestald. Verder stonden er fauteuils en rustbanken als zitmeubilair, waren de wanden behangen met schilderijen en spiegels en was er overal kostbaar oosters sierporselein uitgestald: op deurposten, boven de haard en op en in de kasten. Soms trof de notaris zelfs pronkwapens aan, zoals zilveren degens of hartsvangers (een lange jachtmessen). In sommige huizen was een aparte ruimte als kantoor of als herensalon voor de heer des huizes ingericht. Hier kon hij aan zijn bureau werken of zich met andere heren vanuit comfortabele fauteuils vermaken aan speeltafeltjes. Zilveren tabaks- of snuifdozen ontbraken meestal niet. In de smallere huizen, zoals het pand Grote Oost 38, scheidde een alkoof de voorkamer van de achterkamer, waar logees of kinderen konden slapen in een losstaand ledikant of in een ingetimmerde bedstede. In vroeger tijden sliepen de bewoners vaak zelf in de alkoof, Regent Dirk Wilree had voor zijn dienstmeiden en knecht een deel van zijn zolder gereserveerd, waar elk van hen een eigen bedstede had maar in de achttiende eeuw werden steeds meer vertrekken op de verdieping ingericht als slaapkamer. Verder duidde de notaris in de inventaris een vertrek op de begane grond soms aan als aparte ‘eetsael’. Regent en voormalig VOC-koopman Dirk Wilree en zijn vrouw Helena de Vogel hadden in deze ruimte hun kostbaarheden uitgestald, waarschijnlijk om gasten tijdens een chique diner te kunnen imponeren: vier porseleinkasten, een kast met linnengoed en een ‘silverkas’ vulden de wanden. Het eten werd in huizen van de elite bereid door een meid in de keuken, een ruimte die zich meestal aan de achterzijde van het huis of in het souterrain bevond. Op een fornuis of in de open haard kon ze het eten klaarmaken en ze had een grote verzameling koperen en tinnen potten, pannen, ketels en ander keukengerei tot haar beschikking. 44 gen. DOSSIER HUIS EN HAARD

'Kraamkamer'. Rechts een pas bevallen vrouw in een hemelbed (ledikant), door Cornelis Troost, 1748. Coll. Rijksmuseum, Amsterdam Een keukenmeid schuurt een koperen ketel, door Abraham van Strij, 1808-1810. Coll. Rijksmuseum, Amsterdam Dienstboden Het zich kunnen veroorloven van dienstboden was een luxe die slechts aan de gegoede burgerij en de elite van de stad was voorbehouden. Personeel bestond uit minstens één meid; als er twee dienstboden in dienst waren, dan waren de taken meestal verdeeld tussen een werkmeid en een keukenmeid, of tussen een meid en een knecht. Wanneer het personeel drie dienstboden telde, was een van hen vaak als kindermeid of kamenier aangesteld; koetsenbezitters hadden soms nog een eigen koetsier in dienst. Families uit de gegoede burgerij hadden nog wel eens twee dienstboden, maar drie of meer bedienden konden over het algemeen alleen de rijkste regentenfamilies zich veroorloven. Zo had de succesvolle Hoornse luitenant-generaal Meynard Merens Schagen, zelf uit een vermogende regentenfamilie afkomstig, maar liefst vier dienstboden tot zijn beschikking, terwijl zijn gezin niet groot was: hij had slechts één kind. Dienstboden leefden betrekkelijk intiem met hun werkgevers samen, aangezien ze meestal inwoonden in het herenhuis. De notaris noteerde met enige regelmaat een apart ‘camertje van de meijden’ in de inventaris, in veel gevallen te vinden op zolder of in het souterrain. Het meidenkamertje was eenvoudig ingericht, met vrijwel altijd een ingetimmerde bedstede waarin een goedkoop matras lag – een matras werd overigens een ‘bed’ genoemd –, wat kussens (‘peuls’ of ‘peluws’) en enkele dekens. Verder hadden dienstboden vaak een eenvoudige tafel, wat stoelen en een spiegeltje tot hun beschikking. Regent Dirk Wilree had voor zijn dienstmeiden en knecht een deel van zijn zolder gereserveerd, waar elk van hen een eigen bedstede had. Het kwam echter ook regelmatig voor dat een dienstbode in een bedstede in de keuken sliep. Kinderen Achttiende-eeuwse Hoornse regentenkinderen stonden de eerste jaren van hun leven meestal onder de hoede van personeel. Zo werden ze als baby gevoed door een min en de jaren daarna door een meid verzorgd en grotendeels ook opgevoed. Hoewel de gezinnen vaak groot waren, kwam kindersterfte veel voor. Zo wilde regent Joan Allard Schagen graag de voornaam van zijn vader Gerard doorgeven aan zijn zoon, maar de jongetjes die geboren werden en zo werden vernoemd, stierven telkens al na enkele dagen. Pas de vierde Gerard overleefde de babytijd. Regentenzoons doorliepen meestal zes jaar lang de Latijnse School, een vereiste voor een academische studie in de rechten op een universiteit. Hierna werd er gepromoveerd om vervolgens in de bestuurlijke of rechterlijke voetstappen te treden van de eigen vader of oom. DOSSIER HUIS EN HAARD gen. 45

Login met uw persoonlijke gebruikersnaam om volledig toegang te krijgen tot de magazines.
Gebruikersnaam: eerste 3 letters achternaam (zonder tussenvoegsel) + vriendnummer
Jan de Boer met Vriendnr. 1234 wordt 'Boe1234'. (Vriendnummer staat op adressticker gen. boven uw naam)
Wachtwoord: uw postcode (voorbeeld: 1111AB)

MAGAZINES WEB

gen.magazine 04-2016
genealogie
gen.magazine 03-2016
genealogie
gen.magazine 02-2016
genealogie
gen.magazine 01-2016
genealogie
gen.magazine 04-2015
genealogie
gen.magazine 03-2015
genealogie
gen.magazine 02-2015
genealogie
gen.magazine 01-2015
genealogie

gen. magazine is een uitgave van Centraal Bureau voor Genealogie.